Waar hingen Rembrandts dubbelportretten in Alkmaar?

Portret van Maerten Soolmans

Portret van Marten Soolmans

Portret van Oopjen Coppit

Portret van Oopjen Coppit

Door Harry de Raad

We weten nu dat Rembrandt’s dubbelportretten van Marten en Oopjen in Alkmaar hebben gehangen. (lees hier de vorige blog hierover) Maar waar precies? We weten inmiddels dat de schilderijen zich in 1659 in Amsterdam bevonden in de boedel van Oopjen en haar tweede man Maerten Daey. Ze hingen daar in hun huis aan de Singel. Het volgende dat we weten is dat de schilderijen – toen nog geïdentificeerd als de portretten van Maerten Daey en zijn eerste vrouw Machteld van Doorn – in 1798 door de Alkmaarse familie Daey werden verkocht.

Waar hingen de schilderijen tussen 1659 en 1798? De eerste jaren na de dood van haar man in 1659 woonde Oopjen nog in Amsterdam en wel bij haar zoon Johannes uit haar eerste huwelijk met Marten Soolmans. Ergens na 1674 verhuisde ze naar Alkmaar, waar haar zoon Hendrik uit haar tweede huwelijk met Maerten Daey woonde. Waarschijnlijk nam ze de dubbelportretten mee naar haar nieuwe woonplaats. Oopjen stierf op 1 november 1689 en werd 5 dagen later in de Grote Kerk begraven. Haar erfgenamen waren haar zonen Johannes Soolmans en Hendrik Daey.

Waar hingen de portretten?

Hoogstwaarschijnlijk hingen de dubbelportretten in het huis links op deze foto uit ca. 1927. Vervaardiger onbekend. Collectie Regionaal Archief Alkmaar. Catalogusnr. FO 1002080

Hoewel Johannes de oudste zoon was, is het niet waarschijnlijk dat hij de schilderijen heeft geërfd. Toen hij in 1691 in Alkmaar stierf, werd er een inventaris van zijn bezittingen opgemaakt door een Amsterdamse notaris. In zijn boedel werden 9 portretten aangetroffen, maar de waarde ervan was gering, slechts 8 gulden. De dubbelportretten zullen daar wel niet bij zijn geweest.

Langestraat 116

Huidige situatie met het Hooge Huys. Foto: Hans Koolwijk

Het ligt meer voor de hand dat de schilderijen meteen na het overlijden van Oopjen naar Hendrik Daey zijn gegaan. Hij was baljuw en dijkgraaf van de Zijpe en president-schepen van Alkmaar en bewoonde een ruim huis aan de noordkant van de Langestraat vlakbij de Grote Kerk. Het huis stond naast Huize De Dieu en is begin 20ste eeuw afgebroken. Ter plaatse bouwde Kropholler in 1931 een onderkomen voor verzekeringsmaatschappij Het Hooge Huys.

Na de dood van Hendrik zullen de schilderijen zijn geërfd door zijn oudste zoon, die eveneens Hendrik heette. Deze Hendrik Daey was evenals zijn vader, een belangrijk man in Alkmaar. We komen hem tegen als burgemeester en als dijkgraaf van de Hondsbossche. Na zijn dood in 1736 is een uitvoerige boedelinventaris opgemaakt. Helaas worden de dubbelportretten van Maerten en Oopjen niet expliciet genoemd. Wel genoemd worden een portret van Hendrik zelf en de portretten van zijn ouders. Daarnaast waren er nog eens 26 portretschilderijen aanwezig, waarvan alleen het aantal wordt genoemd. Alle schilderijen – waaronder ook die van Maerten en Oopjen? – bleven na de dood van Hendrik in beheer bij zijn zoon Hendrik Nanning Daey. Deze Hendrik Nanning bleef ongehuwd. Ook hij was burgemeester van Alkmaar.

Langestraat 55

Nog net rechts op deze foto uit 1915 zichtbaar, het huis van Hendrik Nanning. Vervaardiger onbekend. Collectie Regionaal Archief Alkmaar. Catalogusnr. FO 1002065

In 1755 verkocht Hendrik Nanning het familiehuis aan de noordzijde van de Langestraat. In 1762 kocht hij vervolgens een huis aan de zuidzijde van de Langestraat, ten oosten grenzend aan het hoekhuis met de Pastoorsteeg. Hij stierf in 1772. In 1778 verkopen zijn gezamenlijke erfgenamen de woning. In ieder geval tot aan zijn dood zullen de schilderijen in het huis van Hendrik Nanning hebben gehangen.

Langestraat 55

Huidige situatie. Foto: Hans Koolwijk

Wat er daarna met de portretten gebeurde is onduidelijk. We weten dat ze in 1798 voor 4000 gulden – Bosboom Toussaint, die van een lid van de familie Daey inlichtingen over de dubbelportretten had gekregen, spreekt over een bedrag van 4400 gulden – verkocht werden aan een zekere R. Priuscenaar – wellicht een verschrijving van Pruischenaar -, in samenwerking met Adriaan Daey. Dit gegeven staat in een in 1836 verschenen Catalogue raisonné (…) van onder meer Rembrand’s schilderijen, geschreven door John Smith. Volgens Smith waren de dubbelportretten verkocht door Hendrik Daey.

Wie waren deze Hendrik en Adriaan Daey? Er is een gedrukte genealogie van de familie Daey aanwezig in de bilbiotheek van het Regionaal Archief. Deze wijst uit dat in 1798 er in Alkmaar neven en achterneven van Hendrik Nanning woonden, waaronder een Adriaan Daey. Een Hendrik Daey komen we rond dit tijdstip echter niet tegen. Zou Smith misschien verwijzen naar de in 1736 overleden Hendrik Daey? Of naar de boedel van de in 1772 overleden Hendrik Nanning Daey? We weten het niet.

In 1799 verkochten de nieuwe eigenaren de dubbelportretten aan de Amsterdamse handelaar en kunstverzamelaar Pieter van Winter. Via hem kwamen ze terecht in de collectie van de familie Van Loon. In 1877 werden ze verkocht aan de puissant rijke baron Gustave de Rothschild, die ze meenam naar Parijs.

De Alkmaarse polsstokbriefjes

Door Mark Alphenaar

Iedereen (toch?) in Alkmaar kent wel de befaamde polsstokbriefjes. Gebruikt tijdens het beleg van Alkmaar in 1573 door Maarten Pietersz van der Meij. Hij verstopte deze briefjes in een polsstok en sloop daarmee door de Spaanse linies om hulp te halen voor de belegerde stad. Maar wat staat er nu precies in die briefjes geschreven?

Beleg van Alkmaar

Kaart van Alkmaar en omstreken tijdens het beleg van 1573. Linksonder Oudorp met het Spaanse legerkamp, rechtsonder het dorp Huiswaard. Vervaardiger onbekend. Licentie: publiek domein.

Natuurlijk hebben we de transcripties van de teksten, maar daar heb je op zich niet veel aan als je niet oud-Hollands kan lezen en begrijpen. We hebben daarom ook een mooie hertaling gemaakt van de twee polsstokbriefjes. Dus nu kan je gewoon in begrijpelijk hedendaags Nederlands lezen waarvoor Van der Meij zijn leven waagde.

Polsstokbriefje 1

eerste briefje voorzijde

Voorzijde

eerste briefje achterzijde

Achterzijde

“Wij zijn erg verbaasd dat u geen poging doet ons te bevrijden, ondanks uw belofte, en dat u ons geen bericht hebt doen toekomen, terwijl u daar meer mogelijkheden toe hebt dan wij. Tenzij u ons op het spoedigste komt ontzetten, hetzij met soldaten, hetzij door de dijken door te steken, zullen wij de stad aan de vijand moeten overleveren. En mocht dit gebeuren, dan betuigen wij voor God en de wereld dat het niet onze fout of onze onbetrouwbaarheid is geweest, maar geheel en al uw schuld. Wij verzoeken u daarom met klem dat u ons zo snel mogelijk ontzet, want wij hebben geen kruit genoeg om zelfs maar een halve stormloop te weerstaan.

Als de bode bij u gekomen is, bevestig dan bovenaan de mast van de galei of het schip een wapperende vlag, en haal die vlag weer omlaag, als u terugkeert. Als u ons gaat ontzetten met soldaten, geef ons dan een teken door 4 boeien boven aan de mast van het schip of de galei te bevestigen. En als u ons door middel van het water wilt ontzetten, ontsteek dan twee vuren boven aan de mast van de galei of het schip. En als u ons niet komt bevrijden, laat het schip of de galei dan twee schoten afschieten. En als het uw bedoeling is ons met de goede burgers te redden, stuur dan schepen en schuiten tussen de ton en de huizen van Boekel. Bevestig overdag als teken dat er in de nacht schepen zullen komen, twee vlaggen op de galei of het schip. Doe dit vooral snel! Ga met God. Als er geen bevrijding komt, stuur dan zoveel schepen en schuiten als u goed dunkt. Wij hadden niet van u gedacht dat u ons zo lang zonder hulp of ontzet zou laten, omdat u ons iets anders beloofd hebt.

Jacob Cabeliau, Wilhelm van Zonnenberch, Jaques Hennebert, Jan Spiegel, Floris van Teylingen, Claes Hercxz, Dirck Duvel.”

Polsstokbriefje 2

tweede briefje voorzijde

Voorzijde

tweede briefje achterzijde

Achterzijde

“Aan jonkheer Dirck Sonoy, gouverneur van het Noorderkwartier
Edele, wijze en zeer geachte heer. Graag doen wij een beroep op u. Wij hebben uw brief ontvangen, samen met een brief van onze vriend Aelbrecht Cornelisz,waarin gezegd wordt dat men ons met Gods hulp zal bevrijden van de tiran, die onze stad heeft omsingeld. Uit de brief hebben we begrepen dat er Franse en Waalse soldaten zullen komen om ons te bevrijden. Ook lazen we dat de dijken doorgestoken zullen worden, voor zover wij dat nodig achten. Wij verzoeken u met klem om snel de soldaten te sturen. Ze moeten vervoerd worden via de Schermer en kunnen tussen de tonneschans en de huizen van Boekel aan land komen. Vervolgens moeten ze naar de Nieuwlanderpoort gaan. Wij zullen ze daar opwachten met bruggen en schepen, om ze in de stad te laten. Ze moeten arriveren in de vroege ochtend, voor de dageraad. Om duidelijk te maken dat onze boodschap is ontvangen vragen wij u om gedurende enige tijd een vuur te laten branden bij wijze van teken. Ook vragen wij u om als de schepen komen tot drie keer toe vanaf de spriet van elke boot een vuurteken te geven. Voorts verzoeken wij u om de brenger van onze boodschap met de schepen mee te laten gaan, vergezeld van inwoners van Schermer, Graft, De Rijp of van elders, die de wegen goed kennen en weten hoe ze de soldaten veilig door het land van Overdie kunnen leiden. Als de soldaten aan land zijn gekomen, moeten ze ook een vuurteken geven. Wij zullen dat met een eigen vuurteken beantwoorden en hen vervolgens uit de stad tegemoet komen.

Wij vragen u tevens om zo snel mogelijk de zeedijken door te steken, zodat wij, als we de soldaten in de stad hebben gekregen, spoedig bevrijd zullen worden van de tiran. Als de de dijken doorgestoken zijn, zal de vijand zijn geschut niet kunnen redden, omdat het allemaal opgesteld is aan de noord- en oostkant van de stad. Het is beter dat de dijken doorgestoken worden dan dat de stad en het gehele Noorderland in handen van de vijand komt. Er is haast bij, want de vijand slaapt niet.

Stuur samen met de soldaten burgers met buskruit, want daar hebben we grote behoefte aan. Als al deze maatregelen genomen zijn, twijfelen we er niet aan dat de toegang tot de stad weer vrij gemaakt zal worden, en dat we het vijandelijke geschut in handen kunnen krijgen. Wij verzoeken u met klem alles te doen wat nodig is. U en ook God weten van onze grote nood. Wij hopen dat God u zal sparen en behoeden. Geloof de brenger van deze boodschap, ook in hetgeen hij u mondeling mee zal delen. Met haast geschreven uit Alkmaar, deze 22ste september van het jaar (15)73.

Deze ingerolde brief was geschreven in onze grote nood, voordat wij uw bode en uw brief ontvingen. Wij konden onze brief niet wegsturen, omdat de vijand ons voor de tweede keer vreselijk begon te beschieten en in slagorde klaar stond om een stormaanval op de stad te doen. Met grote moeite hebben we de vijand weerstaan en zijn dankzij de grote goedheid van God bewaard gebleven. Kom ons snel helpen, opdat wij niet in de handen van de tiran vallen. Wij zijn in grote nood en kunnen ons, bij gebrek aan kruit, alleen verdedigen met onze vuisten en zwaarden. Haast u met het sturen van soldaten en het doorsteken van de dijken. Gebeurt dit niet, dan zijn wij verloren. Het is u te verwijten als er in de stad onschuldig bloed gaat vloeien. Dit getuigen wij voor God en de wereld.

Jacob Cabeliau, Wilhelm van Zevenberch, Jacques Hennebert, Dirck Duvel, Floris van Teylingen, Claes Hercxz.”

Dubbelportretten van Rembrandt hingen ook in Alkmaar!

Door Harry de Raad

Portret van Oopjen Coppit

Portret van Oopjen Coppit door Rembrandt van Rijn

Portret van Maerten Soolmans

Portret van Marten Soolmans door Rembrandt van Rijn

Sinds kort kent iedereen ze: het dubbelportret dat Rembrandt in 1634 vervaardigde van het echtpaar Marten Soolmans en Oopjen Coppit. Wat tot dusver nauwelijks is belicht, is de band die er tussen het dubbelportret en Alkmaar bestaat. Wist u dat Oopjen vele jaren in Alkmaar heeft gewoond? Dat zat zo: na de dood van haar eerste man Marten Soolmans, met wie ze door Rembrandt is geportretteerd, trouwde ze opnieuw en wel met  Maerten Daey of Day. Ze woonde lange tijd met hem aan het Singel in Amsterdam. Daar hingen ook de portretten van haar en haar eerste man. Ook haar tweede man overleefde ze. Na diens dood verhuisde ze naar Alkmaar, waar haar zoon Hendrick woonde. Ze overleed in 1689, 78 jaar oud.

In 1669 liet ze bij de Alkmaarse notaris Kessel haar testament opmaken. Tot haar erfgenamen benoemde ze haar zoons Jan uit haar eerste huwelijk en de al genoemde Hendrick, een zoon van haar tweede man Maerten Daey. Het beroemde dubbelportret wordt in het testament helaas niet specifiek genoemd. Waarschijnlijk zijn de schilderijen na de dood van Oopjen in handen van Hendrick gekomen en later overgeërfd op diens zoon en kleinzoon.  Beiden hadden belangrijke functies in het Alkmaarse stadsbestuur. Ze woonden in de Langestraat.

beschrijving  Truitje

Truitje Bosboom-Toussaint beschrijft op deze bladzijde van haar vertelling ‘Een theeuurtje’ het portret van Oopjen Coppit (wat toen nog gold als het portret van Machteld van Doorn, de eerste vrouw van Maerten Daey).

Truitje Bosboom-Toussaint kende de schilderijen
Truitje Bosboom-Toussaint, onze beroemde Alkmaarse schrijfster van historische romans, heeft de schilderijen gekend. Zij schreef erover in 1867 in een kort verhaal ‘Een theeuurtje op den huize Arkesteyn’, in het in die tijd gezaghebbend tijdschrift De Gids. Volgens haar waren de schilderijen altijd in Alkmaar gebleven totdat de familie Daey de beide stukken in 1798 verkocht voor 4400 gulden. Over de reden van de verkoop spreekt ze niet. Wel zegt ze dat de familie niet wist wat de schilderijen waard waren en dat de koper ze ‘natuurlijk niet op het spoor’ van de werkelijke waarde had gebracht. Volgens Truitje waren de schilderijen in 1867 rond de 80.000 gulden waard. Met vooruitziende blik spreekt ze de verwachting uit dat ooit in de toekomst wellicht een rijke kapitalist zoals Rothschild (!) ze zou kopen. In het verhaal beschrijft Truitje uitvoerig de beide schilderijen. Over Oopjen zegt ze: ‘men zegt dat die vrouw niet mooi is geweest; het kan wel zijn, maar onder ’t penseel van Rembrandt is zij wat beters geworden dan een mooije vrouw; zij is de vrouw in al haar liefelijkheid’.

4400 gulden

En op deze pagina gaat Truitje in op de waarde van het schilderij en noemt zij het bedrag van 4400 gulden waarvoor het in 1798 door de familie Daey werd verkocht. Ook noemt ze Rothschild als iemand die wel eens interesse voor het schilderij zou kunnen hebben.

Marten en Oopjen of Maerten en Machteld?
In de negentiende eeuw ging men er vanuit dat op het dubbelportret Maerten Daey en zijn eerste vrouw Machteld van Doorn waren afgebeeld. Volgens Truitje was deze toewijzing gebaseerd op een oude familieoverlevering binnen de familie Daey. De hedendaagse toeschrijving aan het echtpaar Soolmans/Coppit dateert van 1956 en is te danken aan een onderzoek van de Amsterdamse stadsarchivaris mevrouw I.H. van Eeghen.  Het is indertijd gepubliceerd in het tijdschrift Amstelodamum. De familieoverlevering klopte volgens haar niet. Maerten Daey en zijn eerste vrouw waren in 1634 in Brazilië, het jaar waarin het dubbelportret werd gemaakt. Dit jaartal staat vermeld op het mansportret. Ook Truitje Bosboom-Toussaint wist dit al, maar zij nam aan dat er een fout gemaakt was of dat het jaartal er later op geschilderd was. Mevrouw Van Eeghen ontdekte vervolgens in de inventaris van de nalatenschap van Maerten Daey uit 1659 een vermelding van een ander dubbelportret, dat van het echtpaar Soolmans/Coppit. Het hing in het hoge 17de-eeuwse voorhuis, reden voor Van Eeghen om te vermoeden dat dit het door Rembrandt vervaardigde dubbelportret was. Alleen op die plek was er ruimte voor deze twee zeer grote schilderijen! Sinds het onderzoek van Van Eeghen neemt iedereen aan dat Rembrandt inderdaad Maerten en Oopjen heeft geschilderd.

Oopien
Ten slotte nog iets over de naam Oopjen. Mevrouw Van Eeghen gebruikt consequent deze spelling. In een stamboek van de familie Daey wordt de naam als Opina gespeld, maar dat was volgens Van Eeghen deftigdoenerij uit de 19de eeuw. Maar hier kunnen we mevrouw Van Eeghen toch niet volgen: in het Alkmaarse testament van 1669 wordt ze al Opina genoemd, al ondertekende ze als Oopien.

testament

Eerste pagina en eigenhandige ondertekening van het testament uit 1669 van ‘Oopien’ Coppit in de Alkmaarse notariële archieven.

Handtekening Oopjen Coppit

Handtekening Oopjen Coppit