Wat was nou echt de rol van Van der Mey tijdens het Beleg van Alkmaar?

Een van de bekendste figuren van het Alkmaars beleg in 1573 is Maerten Pietersz. van der Mey. In Alkmaar is een straat naar hem vernoemd en staat er bij de Grote Kerk een beeld van hem, in 1965 vervaardigd door de bekende beeldhouwer Mari Andriessen.

Het verhaal van Bor
De eerste geschiedschrijver die ons inlichtte over de daden van Maerten Pietersz was Pieter Bor, die tussen 1595 en 1634 een meerdelig werk schreef over de Nederlandse Opstand. Bor vertelt dat stadstimmerman Maerten Pietersz een van degenen was die samen met onder meer burgemeester Floris van Teylingen in juli 1573 met geweld de Friese Poort opende om de geuzentroepen binnen te laten. In het boek van Bor verschijnt Maerten Pietersz begin september 1573 opnieuw op het toneel. Bor vertelt dat Van der Mey op 2 september de opdracht kreeg om twee brieven vanuit het door de Spanjaarden belegerde Alkmaar naar Sonoy in Schagen te brengen, een van Cabeliau met inlichtingen over de Spaanse posities en een van de burgemeesters met onder meer het verzoek om de dijken door te steken. De brieven werden vervoerd in ‘sijn pols of stok’, waar een gat in geboord was, waarin de brieven werden verstopt. Met ‘pols’ is een polsstok bedoeld. Een houten spijker sloot het gat af. Na een moeilijke tocht kwam Maerten Pietersz aan in Schagen. Volgens Bor kreeg Van der Mey van Sonoy te horen dat deze de dijken inderdaad had willen doorsteken, maar dat de afgevaardigden van het Noorderkwartier het hadden verhinderd. Sonoy zei hem naar Hoorn te gaan, waar de gedeputeerden vergaderden,  om daar de zaak van Alkmaar te bepleiten. Zo gezegd, zo gedaan. Met vuur sprak Van der Mey over de noodzaak om Alkmaar te hulp te komen. Hij kreeg aanvankelijk niet veel respons. Volgens Bor zei een van de bestuurders tegen hem: ‘hoe staet gy dus en raest, waarom souden wy dat schoon gras en de vruchten op ‘t land verderven? Wat souden te winter onse beesten te eten hebben? Gijluiden en zijt nog geen drie weken belegert geweest, gyluiden kunt het wel houden tot Alderheiligen’. Daarop schold Van der Mey hem uit voor ‘koeherder’. Uiteindelijk besloot men Alkmaar toch hulp toe te zeggen. Van der Mey werd samen met andere afgevaardigden naar Delft gestuurd om aan de Prins van Oranje verslag uit te brengen over de toestand in Noord-Holland en in Alkmaar.

Pas in de loop van september keerde Van der Mey weer terug uit Delft. Hij bracht brieven mee van Sonoy en de Prins van Oranje. In de nacht van 28 september probeerde hij met de brieven, die dit keer in een varkensblaas waren verstopt, Alkmaar weer binnen te komen. Hij was de Spaanse linies al gepasseerd, maar toen hij vlak bij de stadswal kwam, bleek daar nog een Spaanse wachtpost te staan, die meteen alarm sloeg. Van der Mey rende snel weg, maar liet in zijn vlucht de brieven vallen. Sonoy was erg ‘bedroefd’ omdat werd aangenomen dat de brieven in handen van de vijand waren geraakt.

Tot zover de feiten over Van der Mey, zoals Bor die vertelt.

Alkmaarse ooggetuigen van het Beleg noemen Van der Mey niet
Merkwaardig is dat de twee Alkmaarse ooggetuigenverslagen die van het beleg bewaard zijn gebleven Van der Mey niet noemen. Nanning van Foreest zwijgt over de rol van Van der Mey bij het in de stad halen van de geuzentroepen. Volgens hem hadden de geuzensoldaten zelf de poort geforceerd. Later in zijn verhaal noemt Foreest wel boodschappers, maar niet bij naam en ook niet in verband met de gebeurtenissen van 2 en 28 september. In de in 1739 verschenen gedrukte versie van het andere ooggetuigenverslag van het beleg, geschreven door of afkomstig van Pieter Jansz Visscher, wordt de rol van Van der Mey wel genoemd. Min of meer het verhaal van Bor vinden we hier terug. Maar er is iets vreemds aan de hand met deze passage. Van dit ooggetuigenverslag bestaan ook manuscriptversies, zelfs een die geschreven is rond 1575. Bij vergelijking blijkt dat in de manuscriptversies het verhaal over Van der Mey niet voorkomt. Alkmaars eerste gemeentearchivaris C.W. Bruinvis constateerde dit al rond 1900 en schreef in een van de manuscriptversies erbij: ‘in de in 1739 te Haarlem uitgegeven Aanteekeningen is op 2 september ingelascht het verhaal van v.d. Mey’s tocht’.

De inlas was eigenlijk helemaal niet nodig geweest, want de tochten van Van der Mey worden verderop in dit verslag wel degelijk genoemd, maar dan zonder zijn naam erbij. Er wordt namelijk gesproken over een anonieme ‘post’ (bode) die de stad verliet in de nacht van drie op vier september. Verderop wordt van deze anonieme bode gezegd, dat hij op 25 september weer probeerde de stad in te komen en toen meegebrachte brieven verloor. Dit slaat duidelijk op Van der Mey. In de gedrukte versie van dit tweede ooggetuigenverslag komen de reizen van Van der Mey nu dus twee keer voor!

In het tweede ooggetuigenverslag lezen we uitgebreid over de avonturen van de bode (dat moet dus Van der Mey zijn!) bij zijn tocht begin september door de Spaanse linies. Hij vertrok om tien uur ‘s avonds. Het was moeilijk om voorbij de Spaanse schildwachten te komen. De bode werd bijna ontdekt, doordat vogels verschrikt op vlogen toen hij te dicht bij hun nesten kwam. Tot ’s nachts 4 uur bleef hij muisstil liggen. Toen ging hij voorzichtig weer verder. Hij schrok erg toen hij een lijk zag liggen. Later kwam hij een Spaanse vrouw tegen die hem zei dat de Alkmaarders het verdienden om gedood te worden. Even later zag hij dat de vrouw door twee boeren werd lastig gevallen. Hij bemoeide zich er verder niet mee en vervolgde zijn tocht.

Dat Van der Mey niet, of althans niet bij naam werd genoemd in deze twee ooggetuigenverslagen, zegt natuurlijk niet dat het verhaal van Bor niet klopt. Wel kunnen we er uit opmaken dat de daden van Van der Mey vlak na het beleg nog niet zo bekend waren of als niet zo belangrijk werden gezien.

Van der Mey in archiefstukken
Wat is er in de Alkmaarse archieven te vinden over Van der Mey? We weten dat hij in augustus 1572 poorter is geworden. Waarschijnlijk kwam hij uit het Zuid-Hollandse stadje Ameide naar Alkmaar. Op zijn grafzerk in de Grote Kerk heet hij namelijk ‘van der Ameyde’. Bor noemt Van der Mey stadstimmerman, wat niet helemaal juist is. Hij was inderdaad timmerman – dit wordt als zijn beroep vermeld in het poorterboek -, maar niet in stadsdienst. We moeten hem meer zien als een aannemer van publieke werken.

Inschrijving

Inschrijving van ‘Maerten Pietersz timmerman’ in het Alkmaarse poorterboek, 19 augustus 1572. Licentie: CC-BY. Collectie Regionaal Archief Alkmaar

In de bewaard gebleven archiefstukken over het beleg komt Van der Mey meerdere keren voor. Zo kreeg hij 10 gulden voor zijn werkzaamheden tijdens het beleg toen hij als ‘capiteyn’ de ‘burgeren’ in ‘goede orde’ stelde en kreeg hij betaald voor het maken van wachthuisjes.

Ook zijn er meerdere stukken bewaard gebleven die de boodschappersactiviteiten van Van der Mey documenteren. Het belangrijkste stuk is het betalingsbewijs voor het bezorgen van brieven aan Sonoy en de Staten van Holland door Van der Mey. Het leverde hem 20 gulden op.

Betalingsopdracht

Betalingsopdracht met kwitantie voor de betaling van 20 gulden aan Maerten Pietersz voor het brengen van brieven tijdens het beleg van de stad naar Sonoy en de Staten ‘om succoers ende ontset te soecken’. Licentie: CC-BY. Collectie Regionaal Archief Alkmaar

De mislukte poging om Alkmaar weer binnen te komen is gedocumenteerd in een brief uit september 1573 van Cornelis Jansz van de Nijenburg, dijkgraaf van het Geestmerambacht. In de brief schrijft de dijkgraaf over de onfortuinlijke tocht van Maerten Pietersz. Zijn verhaal is wel wat minder vleiend voor Van der Mey dan wat Bor vertelt. Van der Mey was volgens de dijkgraaf de schildwacht al voorbij, maar raakte ter hoogte van de Achtermeer in een sloot. De timmerman was bang te verdrinken – hij kon namelijk niet zwemmen – en had in doodsnood de brieven losgelaten.

Graag hadden we ook archiefstukken gehad die licht zouden werpen op de activiteiten van Van der Mey in Hoorn en Delft, maar die zijn tot dusver niet gevonden. Op dit punt moeten we Bor geloven, andere bronnen zijn er niet.

In de Alkmaarse archieven is ook veel te vinden over de activiteiten van Van der Mey na het beleg. In 1574 was hij als aannemer verantwoordelijk voor het uittrekken van de ‘buitenste palen’ in het Zeglis. In 1575 liet Van der Mey aan het Voormeer een huis bouwen dat hij de naam ‘ter Ameyde’ gaf. Interessant verder dat Van der Mey in 1595 van de Staten van Holland een octrooi kreeg voor een windvolmolen. Die stond in Alkmaar aan het Zeglis. In de molen werden wollen stoffen klaargemaakt voor verdere verwerking. In 1596 wist Van der Mey ook in Utrecht een dergelijk octrooi te verkrijgen en bouwde daar eveneens een dergelijke molen. Van der Mey stierf in 1600. Zijn grafzerk in de Grote Kerk noemde we al. Onder de zerk liggen ook twee van zijn zoons begraven, van wie er een, Pieter, medicijnen had gestudeerd in Leiden.

Zijn de in het archief bewaard gebleven polsstokbrieven vervoerd door Van der Mey?
Een belangrijke vraag moeten we nog beantwoorden: zijn de bewaard gebleven polsstokbriefjes inderdaad de brieven die Van der Mey heeft vervoerd? Slechts een van de brieven heeft een datering. Die sluit meteen uit dat de brief door Van der Mey vervoerd zou zijn. De brief is namelijk gedateerd op 22 september 1573, toen Van der Mey helemaal niet in Alkmaar was. Dit briefje zal dus door een andere boodschapper door de Spaanse linies gesmokkeld zijn. Uit de kronieken weten we dat er meer boodschappers actief waren.

tweede briefje achterzijde

Achterzijde. Brief aan Sonoy uit het belegerde Alkmaar, met opnieuw een verzoek om hulp, 22 september 1573. Gezien de datering kan Van der Mey dit briefje niet hebben bezorgd, omdat hij toen buiten Alkmaar was. Licentie: CC-BY. Collectie Regionaal Archief Alkmaar.

tweede briefje voorzijde

Voorzijde. Licentie: CC-BY. Collectie Regionaal Archief Alkmaar.

De andere brief bevat een niet gedateerde oproep van de geuzenaanvoerders en de beide fungerende  burgemeesters aan Sonoy om de stad snel te ontzetten door soldaten te sturen of de dijken door te steken. Zou dit tweede briefje dan misschien wel door Van der Mey vervoerd zijn?

Volgens Bor had Van der Mey op 2 september een tweetal brieven bij zich. Bor beschrijft de brieven uitgebreid. De ene brief was geschreven door de burgemeesters, gedateerd op 2 september en bedoeld voor Sonoy. Het was een verzoek om hulp. In de brief stond onder meer dat Van der Mey mondeling verdere mededelingen zou doen en dat men gehoord had van een plan om Koedijk aan te vallen. De andere brief was geschreven door Cabeliau, eveneens aan Sonoy. In deze brief werden volgens Bor voornamelijk mededelingen gedaan over de sterkte van het Spaanse leger.

Geen van de omschrijvingen die Bor geeft van de brieven komt overeen met de inhoud van de ongedateerde polsstokbrief. Zo wordt in de bewaard gebleven brief de naam van Van der Mey niet genoemd, Koedijk wordt nergens vermeld en ook wordt er niets in gezegd over de sterkte van het Spaanse leger. Verder is de brief niet gedateerd en geschreven door de burgemeesters samen met de geuzenaanvoerders.

eerste briefje achterzijde

Achterzijde. Brief aan Sonoy uit het belegerde Alkmaar met verzoek om hulp. Volgens de traditie is dit het briefje dat Van der Mey begin september, verborgen in een polsstok, door de Spaanse linies smokkelde. Licentie: CC-BY. Collectie Regionaal Archief Alkmaar.

eerste briefje voorzijde

Voorzijde. Licentie: CC-BY. Collectie Regionaal Archief Alkmaar.

We kunnen niet anders concluderen dan dat de bewaard gebleven brieven, die volgens een erbij gevoegde 18de-eeuwse notitie ‘in de pols’ waren verstopt, waarschijnlijk niet de brieven zijn die Van der Mey door de Spaanse linies heeft gesmokkeld. Ze zullen door andere boodschappers naar buiten zijn gebracht.

Deze conclusie staat haaks op wat altijd in de boeken over het beleg is verteld. Men heeft blijkbaar nooit de inhoud van de brieven goed vergeleken met wat Bor erover schreef. Natuurlijk kan Bor zich ook best vergist hebben, maar de meer voor de hand liggende conclusie is toch, dat beide bewaard gebleven brieven niets met Van der Mey hebben uit te staan.

Zijn de twee in het Regionaal Archief bewaard gebleven brieven dan wel vervoerd in een polsstok? Het bijgesloten briefje zegt dit, maar is van jongere datum. Beide brieven zijn erg klein en vertonen sporen die er op wijzen dat ze ooit opgevouwen en opgerold zijn geweest. Het is dus heel goed mogelijk dat de zogenaamde ‘polsstokbriefjes’ echt in een polsstok zijn vervoerd, al zijn het dan ook niet de briefjes van Van der Mey….

Wat er precies in de briefjes staat kan je hier lezen in begrijpelijk hedendaags Nederlands.

Door Harry de Raad

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s