Het Alkmaarse Victoriebeeld 140 jaren jong

Frans Stracké,

Frans Stracké, de beeldhouwer van Victorientje. Collectie Regionaal Archief Alkmaar

Let op! 
Graag het vriendelijke verzoek aan iedereen die foto’s van deze pagina afhaalt: let op de fotolicentie! De meeste foto’s hebben een CC-BY licentie. Opslaan en delen mag, maar vermeld de bron (meestal het Regionaal Archief Alkmaar) en als die bekend is, de fotograaf.

‘Een gezonde stevige deern’

In het enkele jaren geleden fraai opgeknapte Victoriepark staat nu al 140 jaar het beeld van de godin Victoria, in Alkmaar vaak liefkozend Victorientje genoemd. Het beeld heeft veel te lijden gehad van het Alkmaarse klimaat van luchtverontreiniging en vernielzucht. Net als bij echte oude dames geldt ook bij Victorientje, dat alleen op enige afstand de oorspronkelijke schoonheid nog zichtbaar is.

Het beeld heeft een interessante geschiedenis, die begon in 1872. Een breed samengestelde feestcommissie die de viering van driehonderd jaar Alkmaars Ontzet organiseerde, vond dat er een blijvend gedenkteken moest komen aan de gebeurtenissen van 1573. Elders in Nederland – in Heiligerlee, Den Briel en Leiden – waren er in die tijd soortgelijke initiatieven, allemaal met het doel om belangrijke gebeurtenissen uit de Tachtigjarige Oorlog te herdenken.

Lees verder

Advertenties

Wat was nou echt de rol van Van der Mey tijdens het Beleg van Alkmaar?

Een van de bekendste figuren van het Alkmaars beleg in 1573 is Maerten Pietersz. van der Mey. In Alkmaar is een straat naar hem vernoemd en staat er bij de Grote Kerk een beeld van hem, in 1965 vervaardigd door de bekende beeldhouwer Mari Andriessen.

Het verhaal van Bor
De eerste geschiedschrijver die ons inlichtte over de daden van Maerten Pietersz was Pieter Bor, die tussen 1595 en 1634 een meerdelig werk schreef over de Nederlandse Opstand. Bor vertelt dat stadstimmerman Maerten Pietersz een van degenen was die samen met onder meer burgemeester Floris van Teylingen in juli 1573 met geweld de Friese Poort opende om de geuzentroepen binnen te laten. In het boek van Bor verschijnt Maerten Pietersz begin september 1573 opnieuw op het toneel. Bor vertelt dat Van der Mey op 2 september de opdracht kreeg om twee brieven vanuit het door de Spanjaarden belegerde Alkmaar naar Sonoy in Schagen te brengen, een van Cabeliau met inlichtingen over de Spaanse posities en een van de burgemeesters met onder meer het verzoek om de dijken door te steken. De brieven werden vervoerd in ‘sijn pols of stok’, waar een gat in geboord was, waarin de brieven werden verstopt. Met ‘pols’ is een polsstok bedoeld. Een houten spijker sloot het gat af. Na een moeilijke tocht kwam Maerten Pietersz aan in Schagen. Volgens Bor kreeg Van der Mey van Sonoy te horen dat deze de dijken inderdaad had willen doorsteken, maar dat de afgevaardigden van het Noorderkwartier het hadden verhinderd. Sonoy zei hem naar Hoorn te gaan, waar de gedeputeerden vergaderden,  om daar de zaak van Alkmaar te bepleiten. Zo gezegd, zo gedaan. Met vuur sprak Van der Mey over de noodzaak om Alkmaar te hulp te komen. Hij kreeg aanvankelijk niet veel respons. Volgens Bor zei een van de bestuurders tegen hem: ‘hoe staet gy dus en raest, waarom souden wy dat schoon gras en de vruchten op ‘t land verderven? Wat souden te winter onse beesten te eten hebben? Gijluiden en zijt nog geen drie weken belegert geweest, gyluiden kunt het wel houden tot Alderheiligen’. Daarop schold Van der Mey hem uit voor ‘koeherder’. Uiteindelijk besloot men Alkmaar toch hulp toe te zeggen. Van der Mey werd samen met andere afgevaardigden naar Delft gestuurd om aan de Prins van Oranje verslag uit te brengen over de toestand in Noord-Holland en in Alkmaar.

Pas in de loop van september keerde Van der Mey weer terug uit Delft. Hij bracht brieven mee van Sonoy en de Prins van Oranje. In de nacht van 28 september probeerde hij met de brieven, die dit keer in een varkensblaas waren verstopt, Alkmaar weer binnen te komen. Hij was de Spaanse linies al gepasseerd, maar toen hij vlak bij de stadswal kwam, bleek daar nog een Spaanse wachtpost te staan, die meteen alarm sloeg. Van der Mey rende snel weg, maar liet in zijn vlucht de brieven vallen. Sonoy was erg ‘bedroefd’ omdat werd aangenomen dat de brieven in handen van de vijand waren geraakt.

Tot zover de feiten over Van der Mey, zoals Bor die vertelt.

Lees verder

Het Beleg van Alkmaar gezien door Spaanse ogen

Het is heel interessant om de gebeurtenissen van het Beleg eens van de ‘andere kant’ te bekijken, die van de verliezers. De Spaanse bronnen over het beleg zijn tot dusver weinig bekend. Die bronnen zijn er wel degelijk: in de eerste plaats allerlei archiefmateriaal, zoals brieven en andere documenten. Veel informatie bieden de brieven die Alva schreef aan koning Philips II. Scans ervan zijn in het bezit van het Regionaal Archief.

Verder hadden ook de Spanjaarden hun geschiedschrijvers. De tegenhanger van onze Nanning van Foreest is Bernardino de Mendoza, die een kroniek schreef over de oorlog in de Nederlanden tussen 1567 en 1577. Mendoza, militair en diplomaat, was met het leger van Alva naar Nederland gekomen. Veel van de door hem beschreven gebeurtenissen had hij zelf meegemaakt. Zo is hij ook in Alkmaar geweest tijdens het beleg in 1573. Uit de archiefstukken en uit de kroniek van Mendoza krijgen we een levendig beeld van wat er gebeurde in het Spaanse legerkamp. We horen wat de motieven waren om juist Alkmaar aan te vallen en uitgebreid wordt verhaald hoe het beleg verliep, welke keuzes er werden gemaakt en waarom het Spaanse leger uiteindelijk weer wegtrokken. Allerlei Spanjaarden worden bij name genoemd en geprezen voor hun dapperheid of juist kritisch bejegend.

We kunnen in deze blog niet op alles ingaan. Laten we ons beperken tot de gebeurtenissen op 18 september, de ‘bangste dag’ van het beleg, toen de Spanjaarden er bijna in slaagden de stad te veroveren.

De grote aanval

De bestorming van 18 september 1573. Vervaardiger: A. Ver Huel. Licentie: CC-0. Inventarisnummer 889 uit het Familiearchief Van Foreest, Regionaal Archief Alkmaar

Lees verder

De Alkmaarse polsstokbriefjes

Door Mark Alphenaar

Iedereen (toch?) in Alkmaar kent wel de befaamde polsstokbriefjes. Gebruikt tijdens het beleg van Alkmaar in 1573 door Maarten Pietersz van der Meij. Hij verstopte deze briefjes in een polsstok en sloop daarmee door de Spaanse linies om hulp te halen voor de belegerde stad. Maar wat staat er nu precies in die briefjes geschreven?

Beleg van Alkmaar

Kaart van Alkmaar en omstreken tijdens het beleg van 1573. Linksonder Oudorp met het Spaanse legerkamp, rechtsonder het dorp Huiswaard. Vervaardiger onbekend. Licentie: publiek domein.

Natuurlijk hebben we de transcripties van de teksten, maar daar heb je op zich niet veel aan als je niet oud-Hollands kan lezen en begrijpen. We hebben daarom ook een mooie hertaling gemaakt van de twee polsstokbriefjes. Dus nu kan je gewoon in begrijpelijk hedendaags Nederlands lezen waarvoor Van der Meij zijn leven waagde.

Polsstokbriefje 1

eerste briefje voorzijde

Voorzijde

eerste briefje achterzijde

Achterzijde

“Wij zijn erg verbaasd dat u geen poging doet ons te bevrijden, ondanks uw belofte, en dat u ons geen bericht hebt doen toekomen, terwijl u daar meer mogelijkheden toe hebt dan wij. Tenzij u ons op het spoedigste komt ontzetten, hetzij met soldaten, hetzij door de dijken door te steken, zullen wij de stad aan de vijand moeten overleveren. En mocht dit gebeuren, dan betuigen wij voor God en de wereld dat het niet onze fout of onze onbetrouwbaarheid is geweest, maar geheel en al uw schuld. Wij verzoeken u daarom met klem dat u ons zo snel mogelijk ontzet, want wij hebben geen kruit genoeg om zelfs maar een halve stormloop te weerstaan.

Als de bode bij u gekomen is, bevestig dan bovenaan de mast van de galei of het schip een wapperende vlag, en haal die vlag weer omlaag, als u terugkeert. Als u ons gaat ontzetten met soldaten, geef ons dan een teken door 4 boeien boven aan de mast van het schip of de galei te bevestigen. En als u ons door middel van het water wilt ontzetten, ontsteek dan twee vuren boven aan de mast van de galei of het schip. En als u ons niet komt bevrijden, laat het schip of de galei dan twee schoten afschieten. En als het uw bedoeling is ons met de goede burgers te redden, stuur dan schepen en schuiten tussen de ton en de huizen van Boekel. Bevestig overdag als teken dat er in de nacht schepen zullen komen, twee vlaggen op de galei of het schip. Doe dit vooral snel! Ga met God. Als er geen bevrijding komt, stuur dan zoveel schepen en schuiten als u goed dunkt. Wij hadden niet van u gedacht dat u ons zo lang zonder hulp of ontzet zou laten, omdat u ons iets anders beloofd hebt.

Jacob Cabeliau, Wilhelm van Zonnenberch, Jaques Hennebert, Jan Spiegel, Floris van Teylingen, Claes Hercxz, Dirck Duvel.”

Polsstokbriefje 2

tweede briefje voorzijde

Voorzijde

tweede briefje achterzijde

Achterzijde

“Aan jonkheer Dirck Sonoy, gouverneur van het Noorderkwartier
Edele, wijze en zeer geachte heer. Graag doen wij een beroep op u. Wij hebben uw brief ontvangen, samen met een brief van onze vriend Aelbrecht Cornelisz,waarin gezegd wordt dat men ons met Gods hulp zal bevrijden van de tiran, die onze stad heeft omsingeld. Uit de brief hebben we begrepen dat er Franse en Waalse soldaten zullen komen om ons te bevrijden. Ook lazen we dat de dijken doorgestoken zullen worden, voor zover wij dat nodig achten. Wij verzoeken u met klem om snel de soldaten te sturen. Ze moeten vervoerd worden via de Schermer en kunnen tussen de tonneschans en de huizen van Boekel aan land komen. Vervolgens moeten ze naar de Nieuwlanderpoort gaan. Wij zullen ze daar opwachten met bruggen en schepen, om ze in de stad te laten. Ze moeten arriveren in de vroege ochtend, voor de dageraad. Om duidelijk te maken dat onze boodschap is ontvangen vragen wij u om gedurende enige tijd een vuur te laten branden bij wijze van teken. Ook vragen wij u om als de schepen komen tot drie keer toe vanaf de spriet van elke boot een vuurteken te geven. Voorts verzoeken wij u om de brenger van onze boodschap met de schepen mee te laten gaan, vergezeld van inwoners van Schermer, Graft, De Rijp of van elders, die de wegen goed kennen en weten hoe ze de soldaten veilig door het land van Overdie kunnen leiden. Als de soldaten aan land zijn gekomen, moeten ze ook een vuurteken geven. Wij zullen dat met een eigen vuurteken beantwoorden en hen vervolgens uit de stad tegemoet komen.

Wij vragen u tevens om zo snel mogelijk de zeedijken door te steken, zodat wij, als we de soldaten in de stad hebben gekregen, spoedig bevrijd zullen worden van de tiran. Als de de dijken doorgestoken zijn, zal de vijand zijn geschut niet kunnen redden, omdat het allemaal opgesteld is aan de noord- en oostkant van de stad. Het is beter dat de dijken doorgestoken worden dan dat de stad en het gehele Noorderland in handen van de vijand komt. Er is haast bij, want de vijand slaapt niet.

Stuur samen met de soldaten burgers met buskruit, want daar hebben we grote behoefte aan. Als al deze maatregelen genomen zijn, twijfelen we er niet aan dat de toegang tot de stad weer vrij gemaakt zal worden, en dat we het vijandelijke geschut in handen kunnen krijgen. Wij verzoeken u met klem alles te doen wat nodig is. U en ook God weten van onze grote nood. Wij hopen dat God u zal sparen en behoeden. Geloof de brenger van deze boodschap, ook in hetgeen hij u mondeling mee zal delen. Met haast geschreven uit Alkmaar, deze 22ste september van het jaar (15)73.

Deze ingerolde brief was geschreven in onze grote nood, voordat wij uw bode en uw brief ontvingen. Wij konden onze brief niet wegsturen, omdat de vijand ons voor de tweede keer vreselijk begon te beschieten en in slagorde klaar stond om een stormaanval op de stad te doen. Met grote moeite hebben we de vijand weerstaan en zijn dankzij de grote goedheid van God bewaard gebleven. Kom ons snel helpen, opdat wij niet in de handen van de tiran vallen. Wij zijn in grote nood en kunnen ons, bij gebrek aan kruit, alleen verdedigen met onze vuisten en zwaarden. Haast u met het sturen van soldaten en het doorsteken van de dijken. Gebeurt dit niet, dan zijn wij verloren. Het is u te verwijten als er in de stad onschuldig bloed gaat vloeien. Dit getuigen wij voor God en de wereld.

Jacob Cabeliau, Wilhelm van Zevenberch, Jacques Hennebert, Dirck Duvel, Floris van Teylingen, Claes Hercxz.”