De Alkmaarse polsstokbriefjes

Door Mark Alphenaar

Iedereen (toch?) in Alkmaar kent wel de befaamde polsstokbriefjes. Gebruikt tijdens het beleg van Alkmaar in 1573 door Maarten Pietersz van der Meij. Hij verstopte deze briefjes in een polsstok en sloop daarmee door de Spaanse linies om hulp te halen voor de belegerde stad. Maar wat staat er nu precies in die briefjes geschreven?

Beleg van Alkmaar

Kaart van Alkmaar en omstreken tijdens het beleg van 1573. Linksonder Oudorp met het Spaanse legerkamp, rechtsonder het dorp Huiswaard. Vervaardiger onbekend. Licentie: publiek domein.

Natuurlijk hebben we de transcripties van de teksten, maar daar heb je op zich niet veel aan als je niet oud-Hollands kan lezen en begrijpen. We hebben daarom ook een mooie hertaling gemaakt van de twee polsstokbriefjes. Dus nu kan je gewoon in begrijpelijk hedendaags Nederlands lezen waarvoor Van der Meij zijn leven waagde.

Polsstokbriefje 1

eerste briefje voorzijde

Voorzijde

eerste briefje achterzijde

Achterzijde

“Wij zijn erg verbaasd dat u geen poging doet ons te bevrijden, ondanks uw belofte, en dat u ons geen bericht hebt doen toekomen, terwijl u daar meer mogelijkheden toe hebt dan wij. Tenzij u ons op het spoedigste komt ontzetten, hetzij met soldaten, hetzij door de dijken door te steken, zullen wij de stad aan de vijand moeten overleveren. En mocht dit gebeuren, dan betuigen wij voor God en de wereld dat het niet onze fout of onze onbetrouwbaarheid is geweest, maar geheel en al uw schuld. Wij verzoeken u daarom met klem dat u ons zo snel mogelijk ontzet, want wij hebben geen kruit genoeg om zelfs maar een halve stormloop te weerstaan.

Als de bode bij u gekomen is, bevestig dan bovenaan de mast van de galei of het schip een wapperende vlag, en haal die vlag weer omlaag, als u terugkeert. Als u ons gaat ontzetten met soldaten, geef ons dan een teken door 4 boeien boven aan de mast van het schip of de galei te bevestigen. En als u ons door middel van het water wilt ontzetten, ontsteek dan twee vuren boven aan de mast van de galei of het schip. En als u ons niet komt bevrijden, laat het schip of de galei dan twee schoten afschieten. En als het uw bedoeling is ons met de goede burgers te redden, stuur dan schepen en schuiten tussen de ton en de huizen van Boekel. Bevestig overdag als teken dat er in de nacht schepen zullen komen, twee vlaggen op de galei of het schip. Doe dit vooral snel! Ga met God. Als er geen bevrijding komt, stuur dan zoveel schepen en schuiten als u goed dunkt. Wij hadden niet van u gedacht dat u ons zo lang zonder hulp of ontzet zou laten, omdat u ons iets anders beloofd hebt.

Jacob Cabeliau, Wilhelm van Zonnenberch, Jaques Hennebert, Jan Spiegel, Floris van Teylingen, Claes Hercxz, Dirck Duvel.”

Polsstokbriefje 2

tweede briefje voorzijde

Voorzijde

tweede briefje achterzijde

Achterzijde

“Aan jonkheer Dirck Sonoy, gouverneur van het Noorderkwartier
Edele, wijze en zeer geachte heer. Graag doen wij een beroep op u. Wij hebben uw brief ontvangen, samen met een brief van onze vriend Aelbrecht Cornelisz,waarin gezegd wordt dat men ons met Gods hulp zal bevrijden van de tiran, die onze stad heeft omsingeld. Uit de brief hebben we begrepen dat er Franse en Waalse soldaten zullen komen om ons te bevrijden. Ook lazen we dat de dijken doorgestoken zullen worden, voor zover wij dat nodig achten. Wij verzoeken u met klem om snel de soldaten te sturen. Ze moeten vervoerd worden via de Schermer en kunnen tussen de tonneschans en de huizen van Boekel aan land komen. Vervolgens moeten ze naar de Nieuwlanderpoort gaan. Wij zullen ze daar opwachten met bruggen en schepen, om ze in de stad te laten. Ze moeten arriveren in de vroege ochtend, voor de dageraad. Om duidelijk te maken dat onze boodschap is ontvangen vragen wij u om gedurende enige tijd een vuur te laten branden bij wijze van teken. Ook vragen wij u om als de schepen komen tot drie keer toe vanaf de spriet van elke boot een vuurteken te geven. Voorts verzoeken wij u om de brenger van onze boodschap met de schepen mee te laten gaan, vergezeld van inwoners van Schermer, Graft, De Rijp of van elders, die de wegen goed kennen en weten hoe ze de soldaten veilig door het land van Overdie kunnen leiden. Als de soldaten aan land zijn gekomen, moeten ze ook een vuurteken geven. Wij zullen dat met een eigen vuurteken beantwoorden en hen vervolgens uit de stad tegemoet komen.

Wij vragen u tevens om zo snel mogelijk de zeedijken door te steken, zodat wij, als we de soldaten in de stad hebben gekregen, spoedig bevrijd zullen worden van de tiran. Als de de dijken doorgestoken zijn, zal de vijand zijn geschut niet kunnen redden, omdat het allemaal opgesteld is aan de noord- en oostkant van de stad. Het is beter dat de dijken doorgestoken worden dan dat de stad en het gehele Noorderland in handen van de vijand komt. Er is haast bij, want de vijand slaapt niet.

Stuur samen met de soldaten burgers met buskruit, want daar hebben we grote behoefte aan. Als al deze maatregelen genomen zijn, twijfelen we er niet aan dat de toegang tot de stad weer vrij gemaakt zal worden, en dat we het vijandelijke geschut in handen kunnen krijgen. Wij verzoeken u met klem alles te doen wat nodig is. U en ook God weten van onze grote nood. Wij hopen dat God u zal sparen en behoeden. Geloof de brenger van deze boodschap, ook in hetgeen hij u mondeling mee zal delen. Met haast geschreven uit Alkmaar, deze 22ste september van het jaar (15)73.

Deze ingerolde brief was geschreven in onze grote nood, voordat wij uw bode en uw brief ontvingen. Wij konden onze brief niet wegsturen, omdat de vijand ons voor de tweede keer vreselijk begon te beschieten en in slagorde klaar stond om een stormaanval op de stad te doen. Met grote moeite hebben we de vijand weerstaan en zijn dankzij de grote goedheid van God bewaard gebleven. Kom ons snel helpen, opdat wij niet in de handen van de tiran vallen. Wij zijn in grote nood en kunnen ons, bij gebrek aan kruit, alleen verdedigen met onze vuisten en zwaarden. Haast u met het sturen van soldaten en het doorsteken van de dijken. Gebeurt dit niet, dan zijn wij verloren. Het is u te verwijten als er in de stad onschuldig bloed gaat vloeien. Dit getuigen wij voor God en de wereld.

Jacob Cabeliau, Wilhelm van Zevenberch, Jacques Hennebert, Dirck Duvel, Floris van Teylingen, Claes Hercxz.”